De onderwijsmethode Montessori

Montessorionderwijs
Montessorionderwijs is een zorgvuldig opgebouwde onderwijsmethode, waarbij een kind zich zo veel mogelijk in zijn eigen tempo, gebruik makend van eigen kunnen kan ontwikkelen, onder de leiding van een ervaren montessorileidster en met behulp van speciaal ontworpen montessorimaterialen.
Montessorionderwijs is gebaseerd op een soepel evenwicht tussen vrijheid en een systeem van vaste regels, samengevat als “vrijheid in gebondenheid”
Centraal in de ideeën over de begeleiding van kinderen naar de volwassenheid staat datgene wat het kind zélf behoeft. De meest geciteerde uitspraak van Maria Montessori is niet voor niets “Help mij het zelf te doen”.
De methode vereist een deskundige leidster en een stimulerende omgeving met zorgvuldig samengestelde leermiddelen, die aan de natuurlijke behoeften van het jonge kind tegemoet komen.

De speciaal opgeleide leerkracht
In Nederland moet iedere leerkracht die les wil geven aan een basisschool in het bezit zijn van een diploma. Dit diploma kan behaald worden aan een Hogeschool die een studierichting leraar basisonderwijs heeft. Ook de leraren aan een montessorischool voor basisonderwijs, die daar leidsters of leiders genoemd worden, hebben zo’n diploma.
Maar daarnaast moeten ze in het bezit zijn van een montessoridiploma voor basisonderwijs. Sommige leiders of leidster halen dit diploma tegelijk met hun ‘algemene’ diploma aan een dagopleiding. Anderen halen hun montessoridiploma achteraf aan een avondopleiding of ze hebben hun diploma in het buitenland gehaald. In de opleiding voor het montessoridiploma leert de leidster de gedachten kennen waar dr. Montessori van uitging, bij het vormgeven van haar scholen. Maar ook hoe je een klas moet inrichten voor een bepaalde leeftijdsgroep en op welke manier je er les moet geven. Verder hoe je kinderen moet observeren en hoe je zelf leermiddelen kunt maken voor de groep kinderen die je begeleidt.
De leidster of leider wordt tijdens de opleiding voor het montessoridiploma door ervaren leraren die zelf les geven aan een Hogeschool in een groep kinderen begeleid. Daar wordt wat ze op de Hogeschool geleerd hebben samen met die leraar in de praktijk gebracht.

De voorbereide omgeving
Het inrichten van een klas voor een bepaalde leeftijdsgroep noemt de montessorileider of -leidster het voorbereiden van de omgeving. Dr. Montessori heeft zelf uitgebreid beschreven hoe dat zou moeten gebeuren. Ze vond een schoolbank waarin je stil moest zitten geen goed instrument voor kinderen, die zich in vrijheid moesten kunnen ontwikkelen. In plaats daarvan raadde ze kleine tafeltjes en stoeltjes aan, die door de kinderen zelf verplaatst en gegroepeerd kunnen worden.
In open, goed bereikbare kasten moet ‘materiaal’ staan; leermiddelen die kinderen voor hun ontwikkeling nodig hebben. Het staat er zo voor het grijpen en moet ook op dezelfde plaats na gebruik weer worden teruggezet. Met weer andere materialen moeten ze de omgeving kunnen verzorgen en ook zichzelf. Ook de tuin hoort bij de voorbereide omgeving. Daarin moeten de kinderen kunnen werken en ontdekkingen doen, die samenhangen met het leven van planten en dieren. Als kinderen nog ouder zijn moeten ze met enige regelmaat tochten in de omgeving van de school maken om in de buitenwereld ontdekkingen te kunnen doen. Verder moet de school een documentatiecentrum (bibliotheek) hebben waarin je van alles kunt vinden over de dingen die je in de omgeving ontdekt hebt.

Verticale groepsstructuur
Dr. Montessori zei eens: ‘In een groep moeten kinderen geplaatst worden van 3 tot 6 jaar, 6 tot 9 jaar en 9 tot 12 jaar. Klassen met alleen kinderen van dezelfde leeftijd, zoals in gewone scholen, raad ik af. Veel mensen denken dat ik bijvoorbeeld kinderen van 3 tot 6 jaar bij elkaar zet in een ruimte, omdat ik te weinig lokalen beschikbaar heb of niet genoeg kinderen om drie aparte klassen te maken. Maar zelfs als er meer dan duizend kinderen waren en een heel groot gebouw, dan zou ik het nog wenselijk vinden om kinderen die drie jaar in leeftijd verschillen bij elkaar in een groep te plaatsen.’ Kinderen worden op deze manier in groepen geplaatst om een proces van continu leren en ontwikkelen mogelijk te maken. Bovendien is de sociale opvoeding gediend met een zo natuurgetrouw mogelijke manier van samen leven.

Vrijheid
Montessori wordt terecht een vrijheidspedagoog genoemd. Ze wilde de kinderen vrijheid geven omdat ze ervan overtuigd was dat kinderen zichzelf het best konden ontwikkelen als ze maar in een voorbereide omgeving werden opgevoed, door adequaat opgeleide begeleiders in een groep met verticale leeftijdsstructuur.
Kinderen mogen zelf een keuze maken uit de leermiddelen waardoor ze omringd worden (keuzevrijheid). En ze mogen daarmee zo lang werken als ze willen (tempovrijheid).
Ze zijn zelf de maat voor wat ze presteren: iedereen doet datgene wat hij kan zo goed mogelijk naar eigen vermogen (niveauvrijheid). In de groep mogen kinderen zelf het materiaal uit de vaste plaats in de kast gaan halen en het er na gebruik weer in terug zetten (bewegingsvrijheid).

Geen cijfers; zelfcorrectie
Het is de bedoeling dat de kinderen gemotiveerd worden door het werk zelf om hun uiterste best te doen. Omdat ze dit werk zelf mogen kiezen, kan deze gemotiveerdheid ook verwacht worden. De leerkracht basisonderwijs spreekt in dit geval van intrinsieke motivatie en hij weet dat dit de best denkbare motivatie is.
Hierom, en omdat het kind zelf de maat voor zijn eigen presteren is, worden in het montessorionderwijs geen cijferbeoordelingen voor gemaakt werk gegeven. Het gevolg daarvan is dat er ook geen cijferrapporten verstrekt worden. De leider of leidster houdt wel een registratie bij waarin wordt vastgelegd wat een kind gedaan heeft en hoe het datgene wat gekozen werd, verwerkt heeft. Ouders kunnen over de ontwikkeling van hun kind met de leidster of leider van gedachten wisselen. De school biedt daartoe gelegenheid. Ook kan een of meer keren per jaar een geschreven verslag verstrekt worden.
In veel gevallen zullen de kinderen zelf hun werk corrigeren aan de hand van antwoordkaarten of -bladen, die in de groep aanwezig zijn. Ook de leermiddelen, het ontwikkelingsmateriaal voor kinderen, is zo ontworpen dat ze informatie krijgen over de manier waarop ze met het materiaal omgaan. Een niet juiste handeling ermee wordt gevolgd door een in het materiaal ingebouwde mededeling dat de handeling fout was. Zo leert het kind van zijn eigen fouten.

Materiaal
De leermiddelen waarmee het kind werkt, worden materiaal genoemd. In de loop van een lange periode werd dit materiaal ontworpen door dr. Montessori en haar medewerkers.
Na haar overlijden in 1952 hebben medewerkers – waarvan de belangrijkste haar zoon Mario Montessori was – dit werk voortgezet. Het materiaal is geen handig hulpmiddel in de hand van een leerkracht die het kind wat leert, maar het heeft de eigenschap dat het kind, dat het zelfstandig hanteert, er na een korte introductie zichzelf wat mee leert. De korte introductie heet de individuele les.